De
watersnoodramp Deel
4
De
wijze lessen van
'Ba Djannie'
Cairo
uit Coutiri
PARAMARIBO.
De plantage
Vierkinderen in het
district Para is in
vele opzichten een
bijzondere plantage.
In de grote regentijd
(mei-
augustus) is de
plantage al een hele
eeuw gewend aan
overstromingen. De
bewoners zijn de meest
taaie kritische (moeilijke)
doch ook respectabele
Surinamers die er
bestaan. Het is de
eerste plantage met
een juridisch valide
beheerstructuur. Een
stichting is de
zaakgelastigde van de
erfgenamen van de 12
oorspronkelijke
eigenaren.Regelmatig
wordt het dorpsbestuur
naar huis gestuurd,
als het niet blijkt te
presteren. Reeds twee
regeringsleiders zijn
genetisch verbonden
aan de plantage Jopie
Pengel
(ook aan Bersaba),
en de huidige
president Ronald
Venetiaan.
De regio – La prosperite
(Bersaba),
Mijnhoop (Republiek),
Vierkinderen (Cola
kreek).
Studies over de regio
wijzen uit, dat vanwege de
waterwegen (kreken), Flora en
Fauna de regio deze
regio de
meest geschikte
toeristische
recreatieregio van
Suriname is. Vele
prominenten hebben er
dan ook hun
vakantiewoning gebouwd.
Eind tachtiger jaren
zat de dorps oudste
meneer Cairo
– hij hoopte als
negentiger de honderd
te halen - voor de
deur van zijn huis
tegenover de
recreatiezaal een pijp
te roken. Eigenlijk
ergerde “Ba Djannie”-
zoals hij door de
dorpelingen genoemd
werd – zich
stierlijk
aan een aantal
zaken in zijn dorp “Coutiri”.
Vierkinderen wordt
door de ingewijden
genoemd naar de
voormalige plantage
eigenaar de heer Coutier.
“Ons Coutiri
gaat naar de knoppen
door de verlokkingen
van Paramaribo. “
verzuchtte de
oude Cairo terwijl
enkele ambtenaren in
het dorp arriveerden.
Het waren ingenieurs,
landmeters, topografen,
en hydrologen van de
overheid. “Ba Djannie”
observeerde hun
verrichtingen op
afstand. Na een gehele
dag werken, pakten de
ambtenaren uit
Paramaribo hun
gewichtige
meetinstrumenten,
fototoestellen,
statieven, mappen en
landkaarten in en
maakten zich op voor
de terugreis naar
Paramaribo. Ba Djannie
hield hen, nog voor
zij vertrokken,
staande en vroeg wat
zij in zijn plantage
waren komen doen.
Overrompeld door de
interesse van de
grijsaard antwoordden
zij dat zij de
waterstanden hadden
gemeten, op punten van
vergelijking met
eerdere metingen. Zij
maakten een
inventarisatie van
waterstanden,
waterwegen,
afvoergoten,
waterbronnen,
grondwater en
grondlagen rondom het
stroomgebied van de
Tawajaricoura
kreek die water levert
aan de Coropina
kreek. Ba Djannie
werd boos en jammerde
met stemverheffing;
“Waarom hebben
jullie mij als
dorpsoudste niet
geraadpleegd? Ik ben
bijna 100 jaar oud en
kan jullie precies
vertellen waar en
wanneer ik het water
op zijn hoogste stand
met mijn eigen ogen
heb gezien. Wij maken
merktekens en geven
die door aan volgende
generaties. Ik weet
ook wanneer er een
terugkerende
springvloed is en de
gehele plantage
onderloopt. Ook weet
ik hoe lang het water
blijft zitten en
wanneer het wegtrekt.
De gebieden die nooit
onder lopen kan ik ook
aanwijzen, en ook de
plekken die het eerst
droog zijn. De
voortekenen van zware
regenval ken ik
omdat ik de
natuurlijke omgeving
ken en de geluiden van
de dieren. Ik heb
gezien welke dieren
het eerst sterven
bij watersnood en
welke ziekten daarna
uitbreken. Jullie in
de stad weten alles
beter. Die geweldige
instrumenten, het
papier met die
grafieken van metingen,
van je imponeren mij
niet. Wanneer je klaar
bent met meten, met je
“fact
finding
missies”, en
allerlei gewichtige
registraties van eb en
vloed, kan ik je
vertellen wat het
antwoord is. Dus meet
maar voor je, bereken,
evalueer en maak
plannen tot je een ons
weegt. Mij hebben
jullie niets nieuws te
melden, want ik woon
hier en heb nergens te
gaan. Wij zijn
plantagemensen. Die
politici in de stad
zijn
“tranga
jesi,
a presi
o tan sungu”,
aan de natuurramp kun
je niet veel doen al
ken je het water
binnenstebuiten. Je
kunt wel de mensen
weerbaar maken en de
regio onafhankelijk
maken van Paramaribo.
|