Recensie
'Kinderen van de
revolutie'
door: Rabin
Gangadin, maart 2007
Verhaal
met een hoogstaand en
rijkgeschakeerd karakter.
De roman kinderen van de
revolutie van Dinaw
Mengestu, roept dezelfde
associatie op als
Midnight children van
Salman Rushdi. In
allebei de romans
treffen we de
componenten van de
romantische liefde aan:
het zwelgen in gevoelens,
de tragiek van het
noodlot, de overdreven
lyrische retoriek, de
ruimte die de verteller
aanbrengt tussen illusie
en werkelijkheid als de
onherroepelijke
veroordeling van de een
door de ander. Mengestu
geboren in Addis Abeba,
vetrok in 1980 met zijn
moeder en zus naar de
Verenigde Staten, om
aldaar herenigd te
worden met zijn vader.
Deze laatste was eerder
tijdens de Rode Terreur
Ethiopië ontvlucht.
In
de roman Kinderen van de
revolutie vlucht de
hoofdpersoon, Sepha
Stephanos, 17 jaar
geleden uit Ethiopië op
aandringen van zijn
moeder. Zijn vader is
vermoord, terwijl de
moeder met haar zoontje
van zeven in Ethiopië
achterblijft. Stephanos
neemt zijn intrek bij
zijn oom Berhane, die
hem aan een baan helpt
in het Capitol Hotel.
Hij gehoorzaamt deze oom
met een slaafs
welgevallen en blijft
zelf geheel buiten
mededinging. Pas als er
drie jaren verstreken
zijn realiseert hij zich
dat dit bestaan hem niet
bepaald bevalt.
Stephanos neemt het heft
in eigen handen en opent
een kruidenierswinkel,
gevolgd door de huur van
een appartement, vlakbij
de winkel. In zijn
nijverheid weet hij zich
gesteund door zijn twee
enige vrienden, Kenneth
en Joseph. Tijdens de
avondlijke uren komen de
vrienden bijeen en wordt
er hartstochtelijk en
amusant onder het genot
van whisky, gekeuveld
over Ethiopië.
Het
leven neemt plotseling
een andere wending door
de blanke Julia, die
zich met haar gekleurde
dochtertje Naomi in de
wijk vestigt. Met haar
vernieuwende ideeën
brengt zij nieuw leven
in de buurt. Judith en
Naomi komen ook in
Stephanos winkel en er
ontwikkelt zich een
vriendschap tussen hen.
Stephanos mag voor Naomi
steeds voorlezen uit
literaire romans van
bijvoorbeeld Dostojevki.
De zaken lopen gesmeerd,
de buurt verandert en
bloeit weer op, oude,
vervallen woningen in de
wijk worden ontruimd,
totdat armlastige
bewoners zich laten
verleiden tot muiterij
en Stephanos daardoor
zijn winkel dreigt kwijt
te raken.
De
roman oogt niet als een
ordinaire migranten
roman waarin
aanpassingsclichés de
boel beheersen. Het is
een psychologische
vertelling waarin
meerdere bodems te
traceren zijn. Een
steeds terugkerend
dramatisch element in
deze roman is
bijvoorbeeld de strijd
tussen de objectieve en
de subjectieve
werkelijkheid. Sepha
Stephanos beleeft deze
werkelijkheid alleen op
een illusoire manier, of
beter gezegd, hij leeft
de illusie, probeert die
te concretiseren.
Illusie en werkelijkheid
zijn in de roman
duidelijk tegengestelde
versies van één
hetzelfde, twee
onafscheidelijke
entiteiten (de één
aangenaam, de andere
onaangenaam).
Stephanos
leeft in het verhaal in
twee werkelijkheden, die
in feite tegenstellingen
oproepen: ik verwenste
me om de stomme
verwachtingen die ik had
gekoesterd. Ik dacht dat
ik de situatie nu helder
zag: er was sprake
geweest van een
persoonsverwisseling. Ik
was vergeten wie ik was,
ik met mijn armetierige
flat en vervallen winkel,
en ik had als de eerste
de beste sufferd
geprobeerd van mezelf
het type man te maken
dat op een dure leren
bank in een statig
herenhuis zat en
nonchalant van een
porseleinen bord
dineerde en moeiteloos
over Emerson en
Tocqueville keuvelde.
De
onaangename kant van
deze beschreven
werkelijkheid komt in
botsing met het
opgesmukte beeld dat
Stephanos vanuit zijn
fantasie onthult. Deze
werkelijkheid laat
enerzijds het kleurige,
hoogstaande en
rijkgeschakeerde
karakter zien dat de
auteur afzet tegen de
grijze en armoedige
objectieve versie van
die werkelijkheid , maar
anderzijds blijft die
werkelijkheid steken in
een soort illusie.
Het
lijkt alsof de auteur
bewust een patroon gecreëerd
heeft, bestaande uit een
succes en een mislukking
hetwelk de rode draad
vormt voor zijn
beschreven werkelijkheid
in de roman. Hij heeft
het niet over de
etnische identiteit (=
het probleem dat
migranten doorgaans
ondervinden in veelal de
Westerse beschaving),
maar over hele gewone,
normale, alledaagse,
menselijke
tegenstellingen, die
samensmelten tot een
hogere synthese. In deze
synthese staan genoemde
tegenstellingen
weliswaar als
verschillende elementen
lijnrecht tegenover
elkaar, maar blijken
juist in goede
verhouding tot elkaar te
bestaan en later zelfs
te versmelten tot één
vol
werkelijkheidsgehalte:
De rode draad. Misschien
is dat wel het woord
waarnaar ik op zoek ben.
Waar is de rode draad
van mijn leven? De draad
die ik zou kunnen
afrollen en nalopen, op
zoek naar tekens en
aanwijzingen die me
kunnen vertellen wat ik
nog verder kan
verwachten. Het lijkt
wel of de rode draad nu
helemaal is afgerold,
aangenomen dat zoiets
kan. Lastiger is het om
toe te geven dat er
misschien nooit een rode
draad is geweest.
Opmerkelijk
is dat deze beginnende
auteur het plot van het
verhaal zodanig in vorm
heeft weten te gieten
dat de verhaalcompositie
erdoor beslist niet
ontrafeld is. Ik heb hem
in ieder geval nog
nergens kunnen betrappen
op de beschrijving van
een sfeer en/of
handeling die in
dramatisch opzicht
helemaal uit zijn voegen
zou zijn geschoten. De
taal is geestig terwijl
de vertelkunst , als ik
niet erg tegen de
conventie van de
klassieke literaire
romans moet aanleunen,
vlot en op een vloeiende
wijze draperend. De
bedrijvigheden volgen
elkaar rustig op in
plaats van over elkaar
heen te buitelen. De
auteur is er behoorlijk
in geslaagd zijn verhaal
te behoeden voor
wijdlopigheid en
sentimentele
overdrijvingen, hetgeen
het lezen van deze roman
erg veraangenaamd.
Uitgeverij:
Nieuw Amsterdam te
Amsterdam ISBN: 978 90
468 010 31
www.nieuwamsterdam.nl
|